Waarom leiderschap niet te leren is: ‘Wat vaak mist, is solide kennis’ – MT Management Team, de business uit het nieuws

Zullen we stoppen met leiderschapscursussen? Misschien meer focus op training-on-the-job-(and-within-actual-context). En natuurlijk: weten waarover je het hebt.

Waarom leiderschap niet te leren is: ‘Wat vaak mist, is solide kennis’ – MT Management Team, de business uit het nieuws.

Advertenties

Statistiek!

Wel weer een leuke als het over statistiek gaat:

Statistiek

Op zich is de conclusie juist: 77% vindt dat hervormingen niet evenwichtig zijn. Maar: 29% wil méér, 48% wil minder. Op één lijn gezet: meer-evenwichtig-minder valt dan de 50% waarde evengoed in de categorie “Evenwichtig”. Wat is statistiek toch venijnig.

Innovatie – verbetering en/of vernieuwing

imgresSinds kort verdiep ik me in het onderwerp innovatie. Innovatie in de zin van doelbewuste verandering om verbetering en vernieuwing te brengen. En zo ben ik al snel bij de kern: verbetering en vernieuwing. Begrippen die dicht bij elkaar liggen, maar tegelijkertijd ook tegenstrijdige eisen stellen aan de organisatie die ze nastreeft. Waarom is dat zo?

Verbetering is de incrementele, beheerste verandering die belangrijk is om een product of dienst te optimaliseren voor een klant. Daarvoor heb je een organisatie nodig die ingericht op die beheersing van de configuratie van het product of de dienst. Denk hierbij aan de optimalisatie van een nieuw model auto in de loop van de jaren. Een belangrijk aspect hierbij is de economie: het optimaliseren van de marge op het product of de dienst. Kostenbewustzijn met behoud van kwaliteit is daar een essentieel onderdeel van.

Vernieuwing is de activiteit om veranderingen te bewerkstelligen die geen optimalisaties van een bestaand product zijn, maar geheel nieuw. Bijvoorbeeld een nieuw model auto voor een nieuwe marktsegment. Bijvoorbeeld een elektrische auto in plaats van een auto die op fossiele brandstoffen rijdt. Dan is er een hoop creativiteit en nieuwe technologie nodig om dat voor elkaar te krijgen. Kostenbewustzijn kan dan juist een belemmering zijn om nieuwe wegen te bewandelen.

Kunnen omgaan met de tegenstrijdige eisen van verbetering versus vernieuwing blijkt belangrijk te zijn voor het succes van een organisatie. In de literatuur wordt deze organisatievaardigheid ambidexterity genoemd: het (letterlijk) hebben van twee rechterhanden.

Al onderzoekend hoop ik regelmatig wat bevindingen, gedachten en overwegingen via de blog te delen. Als iemand wil meedenken via reacties op de posts, graag!

De valkuil van goede eigenschappen

CK-2014-03-07

Vandaag weer de dagelijkse  aflevering van de Coachingskalender. Over het algemeen vind ik dat een interessant medium, dat ik graag lees en waar ik regelmatig tips in vind die ik graag ter harte neem. Maar vandaag niet. Zie de afbeelding (de aflevering van de Coachingskalender van 7 maart 2014).

Het gaat om het deel:

“Misschien heb je je kwaliteiten te nadrukkelijk ingezet: je bent te verantwoordelijk, te zorgzaam, te belangstellend, te bescheiden, te behulpzaam, te ijverig, te praktisch enzovoort geweest. Daarbij heb je te weinig aan jezelf gedacht en voor jezelf gezorgd, en zo ben je met beide benen in al je eigen valkuilen gestapt.”

Er wordt een trits aan goede eigenschappen genoemd, die – indien van harte en ruimhartig toegepast – een negatief effect hebben. Mankeert er iets aan een “altijd dienstbare collega”? Dat iemand zich niet op de voorgrond plaatst maar altijd beschikbaar is voor haar (of zijn) collega’s?

Kennelijk zijn die goede eigenschappen valkuilen waar je in kunt vallen en die je kunt overwinnen, door er een uitdaging tegenover te zetten: “een tegengestelde, positieve kwaliteit”. Maar die valkuilen waren toch al goede, positieve eigenschappen, “kwaliteiten” (immers: verantwoordelijk, zorgzaam, belangstellend, bescheiden, behulpzaam, ijverig, praktisch …)? Kun je daar teveel van hebben?

De oorzaak van deze tegenstrijdigheid  zit er volgens mij in dat deze houding niet in de huidige tijdgeest past, waarin je geacht wordt voor jezelf op te komen en dat iedereen een plek op de voorgrond verdient of zou moeten willen. De implicatie: als je niet op de voorgrond staat, is er iets niet goed (met ‘jou’). Maar wat als je er eer, genoegen in schept, zelfwaardering voelt, als je er juist goed in bent om ànderen te laten presteren? Dan ben je mogelijk onzichtbaar, misschien zelfs ondergewaardeerd, maar zelf realiseer je je, hoe zinvol je bijdrage is. En misschien is het voor jou helemaal geen noodzaak om eerst “voor jezelf te zorgen” (ook al een zo’n exponent van de huidige tijdgeest). Sterker nog, als je zelf op de voorgrond staat zou je niet die onmisbare factor voor een ander kunnen zijn, het zou je kwaliteiten in de weg staan. Is een goede daad minder waardevol als deze niet opgemerkt wordt? 

Ik zal de laatste zijn om de noodzaak voor zelfrespect, zelfaanvaarding, zelfacceptatie en zelfwaardering te ontkennen. Maar de boodschap die ik wil onderstrepen is dat dat evengoed kan vanuit een dienstvaardige instelling. We kunnen niet allemaal leiders zijn; het zou desastreus zijn als het zo was. Wat wel kan is dat we allemaal dienstvaardig zijn, ook als we eventueel de leiding hebben. Dat zou fantastisch zijn!

Enige leestips:

Geld, waarom eigenlijk? (Aflevering 4: Hoe banken geld maken)

Banken met een winstdoelstelling vragen zich af hoe ze zoveel mogelijk geld kunnen verdienen. Dat is immer hun statutaire doelstelling. Een belangrijke manier is door geld te maken. Je zou denken dat alleen centrale banken dat mogen, maar dat is niet zo, iedere bank kan het. Maar wel anders dan door het drukken van bankbiljetten. De reden is dat banken niet het gehele bedrag beschikbaar hoeven te houden van aan hun verstrekte leningen. Een deel van het geld mag weer uitgeleend worden. De achtergrond hierbij is dat in een normale situatie niet iedereen tegelijk zijn geld terug zal willen vragen, want dat hangt af van de individuele behoeften, die op verschillende tijdstippen plaatsvinden.

Voorbeeld:

  • De bank krijgt van Otto € 1000 voor een rente van 2%.
  • Stel dat de bank 10% van het gespaarde bedrag in reserve wil houden. Dan kan de bank € 900 uitlenen voor krediet (à 8%) aan Karel.
  • Karel koopt daarmee spullen koopt van Frans, die daarvan € 600 aan zijn spaarrekening (à 2%) toevoegt.
  • De bank leent dan daarvan weer € 500 (à 8%) aan Simon voor een nieuwe zaagmachine.
  • Netto heeft de bank dan € 1600 aan ontvangen leningen staan (à 2%) en € 1400 aan uitstaande leningen (à 8%)

Dit voorbeeld is eenvoudig gehouden, maar maakt wel duidelijk dat bij herhaaldelijke toepassing van deze handelswijze, een bank een veelvoud van het ontvangen bedrag kan uitlenen. Daardoor ontstaat meer geld dan er was. Alleen staan er telkens ontvangen leningen tegenover uitstaande leningen. Maar het opgetelde renteverschil tussen ontvangen en verstrekte leningen neemt dus ook toe, wat goed is voor de winst van de bank. Dit gaat prima ….  zolang sprake is van de ‘normale’ situatie uit de eerste alinea.

Die normale situatie is gebaseerd op veronderstellingen over hoe mensen zullen reageren in bepaalde omstandigheden. Als er veel onzekerheid in die ‘normale situatie’ is, zal zich dat (moeten) vertalen in een groter reserve-percentage dat niet wordt uitgeleend. Als er weinig onzekerheid is, kan juist meer worden uitgeleend. Omdat de bank baat heeft bij zoveel mogelijk uitlenen, zal ze graag een laag reservepercentage willen en dus hopen/sturen op een situatie met weinig onzekerheid. De winstverwachting van een bank hangt dus af van de onzekerheid bij de consumenten die geld uitlenen.

Het is goed om op te merken dat een bank niet zomaar het reservepercentage kan veranderen. Want stel dat de bank 90% doorleent van het ontvangen bedrag. Dan is er sprake van ongeveer 10 keer zoveel aan ontvangen leningen als de reserve bedraagt. Als je daar 20% van zou maken is dat ongeveer 5 keer en heeft  de bank ineens twee keer zoveel uitgeleend als verantwoord is! Maar dat uitgeleende geld ligt wel vast (bijv. in hypotheken en investeringen van ondernemers) en kan dus niet ineens worden teruggevraagd.

Maar ook als de onzekerheid toeneemt is er niet direct een probleem, alleen is dan de kans op bijv. een situatie dat veel mensen tegelijk hun geld terug willen groter. Moeilijk punt is dat het gedrag van individuele mensen vaak als onafhankelijk van elkaar wordt beschouwd. Maar dat is ten onrechte. Door publiciteit, als dan niet op feiten of persoonlijke grieven gebaseerd, kan het zomaar gebeuren dat meer geld wordt teruggevraagd dan de bank in reserve heeft. En dan is Wognum Leiden in last…

 

Geld, waarom eigenlijk (Aflevering 3: De Bank)

Zoals in de vorige aflevering weergegeven: zolang er geen rente wordt berekend is het lenen en uitlenen van geld een zaak van onderling vertrouwen. Leningen vinden daardoor op relatief kleine schaal plaats en er is weinig administratie nodig.

Rente brengt een fundamenteel andere manier van kijken en denken met zich mee. Vorige keer noemde ik rente als een manier om de  weerstand te overwinnen om tijdelijk afstand te doen van je geld. Het uitgeven van de lening wordt dan eigenlijk sparen genoemd, waarvoor je een spaarrente krijgt. Een andere reden voor rente kan natuurlijk ook zijn dat  de administratie en het organiseren van de leningen bepaalde vaardigheden vergt die niet iedereen heeft. Dat is dan op zich een specialisme, in die geval van Wouter. Omdat Wouter goed kan administreren, willen mensen als Otto en Karel dat Wouter voor de hen de zaken rondom de leningen regelt. Dat kost Wouter natuurlijk tijd en daarom is rente ook nodig om zijn boterham met beleg mogelijk te maken. De rente voor de boterham van Wouter én de rente voor de inbrengers van geld moet worden opgebracht door degenen die het geld van de bank lenen. Dan ziet het er zó uit:

Geld-plaatjes4

Essentieel is dat, hoewel de vergoeding van Wouter helemaal terecht is, er afgedaan (of toegevoegd) wordt aan geld als ruilmiddel. De handelingen rondom het geld kosten geld en voegen dus op zich geen waarde toe (d.w.z. geiten, truien of pastinaak). Je kunt wel zeggen dat Wouter werkzaamheden uit handen neemt van mensen die de voor die producten zorgen en deze kunnen dus meer tijd besteden aan hun productie.

De hoogte van de rente is een volgende stap. De rente voor lenen en sparen wordt vastgesteld door de bank. Het hangt er vanaf welke doelstellingen gelden. De eigenaar van de bank bepaalt de deze doelstellingen. Als de bank een coöperatieve vereniging is (zoals  de Rabobank nu nog is) zijn de leden de eigenaar en bepalen die (indirect) de rente. Als de bank op de beurs genoteerd is, wordt die (eveneens indirect) bepaald door de aandeelhouders. Als de bank geen winstdoelstelling heeft, is die bank in principe goedkoper dan een bank met winstdoelstelling. Het voordeel van een vereniging is dat het eigendom ligt bij de mensen die gebruik maken van de bank. Het financiële en functionele belang overlappen. Een aandeelhouder op de beurs heeft een dergelijk functioneel belang niet, en heeft dus alleen financiële belang.

Dit is een erg versimpelde weergave. De werkelijkheid is echter complex. In volgende posts ga ik in op de ontwikkelingen die (mede, uiteindelijk) leid(d)en tot een crisis. Om te beginnen hoe banken zelf geld kunnen maken (jawel!).