Geld, waarom eigenlijk? (Aflevering 4: Hoe banken geld maken)

Banken met een winstdoelstelling vragen zich af hoe ze zoveel mogelijk geld kunnen verdienen. Dat is immer hun statutaire doelstelling. Een belangrijke manier is door geld te maken. Je zou denken dat alleen centrale banken dat mogen, maar dat is niet zo, iedere bank kan het. Maar wel anders dan door het drukken van bankbiljetten. De reden is dat banken niet het gehele bedrag beschikbaar hoeven te houden van aan hun verstrekte leningen. Een deel van het geld mag weer uitgeleend worden. De achtergrond hierbij is dat in een normale situatie niet iedereen tegelijk zijn geld terug zal willen vragen, want dat hangt af van de individuele behoeften, die op verschillende tijdstippen plaatsvinden.

Voorbeeld:

  • De bank krijgt van Otto € 1000 voor een rente van 2%.
  • Stel dat de bank 10% van het gespaarde bedrag in reserve wil houden. Dan kan de bank € 900 uitlenen voor krediet (à 8%) aan Karel.
  • Karel koopt daarmee spullen koopt van Frans, die daarvan € 600 aan zijn spaarrekening (à 2%) toevoegt.
  • De bank leent dan daarvan weer € 500 (à 8%) aan Simon voor een nieuwe zaagmachine.
  • Netto heeft de bank dan € 1600 aan ontvangen leningen staan (à 2%) en € 1400 aan uitstaande leningen (à 8%)

Dit voorbeeld is eenvoudig gehouden, maar maakt wel duidelijk dat bij herhaaldelijke toepassing van deze handelswijze, een bank een veelvoud van het ontvangen bedrag kan uitlenen. Daardoor ontstaat meer geld dan er was. Alleen staan er telkens ontvangen leningen tegenover uitstaande leningen. Maar het opgetelde renteverschil tussen ontvangen en verstrekte leningen neemt dus ook toe, wat goed is voor de winst van de bank. Dit gaat prima ….  zolang sprake is van de ‘normale’ situatie uit de eerste alinea.

Die normale situatie is gebaseerd op veronderstellingen over hoe mensen zullen reageren in bepaalde omstandigheden. Als er veel onzekerheid in die ‘normale situatie’ is, zal zich dat (moeten) vertalen in een groter reserve-percentage dat niet wordt uitgeleend. Als er weinig onzekerheid is, kan juist meer worden uitgeleend. Omdat de bank baat heeft bij zoveel mogelijk uitlenen, zal ze graag een laag reservepercentage willen en dus hopen/sturen op een situatie met weinig onzekerheid. De winstverwachting van een bank hangt dus af van de onzekerheid bij de consumenten die geld uitlenen.

Het is goed om op te merken dat een bank niet zomaar het reservepercentage kan veranderen. Want stel dat de bank 90% doorleent van het ontvangen bedrag. Dan is er sprake van ongeveer 10 keer zoveel aan ontvangen leningen als de reserve bedraagt. Als je daar 20% van zou maken is dat ongeveer 5 keer en heeft  de bank ineens twee keer zoveel uitgeleend als verantwoord is! Maar dat uitgeleende geld ligt wel vast (bijv. in hypotheken en investeringen van ondernemers) en kan dus niet ineens worden teruggevraagd.

Maar ook als de onzekerheid toeneemt is er niet direct een probleem, alleen is dan de kans op bijv. een situatie dat veel mensen tegelijk hun geld terug willen groter. Moeilijk punt is dat het gedrag van individuele mensen vaak als onafhankelijk van elkaar wordt beschouwd. Maar dat is ten onrechte. Door publiciteit, als dan niet op feiten of persoonlijke grieven gebaseerd, kan het zomaar gebeuren dat meer geld wordt teruggevraagd dan de bank in reserve heeft. En dan is Wognum Leiden in last…

 

Advertenties

Geld, waarom eigenlijk? (Aflevering 1: Ruilmiddel)

Deze week hebben we van onze rijke druivenoogst (dankzij de mooie zomer) uitgedeeld aan onze buren en kennissen. Van een buurman kregen we toen een krop andijvie en een komkommer. En naar aanleiding daarvan kwam het gesprek op ruilhandel, de kracht ervan en de betekenis van geld als ruilmiddel. Het spookt al een tijd rond in mijn hoofd dat er iets fundamenteel niet goed zit in deze maatschappij in het denken over geld, In deze blog (waarschijnlijk nog hierop volgende) wil ik  al schrijvende verkennen waarop dat ‘fundamenteel niet goed’ op stoelt. Het gaat er niet om een waarheid (zo die er al is) te achterhalen, maar de overwegingen te beschrijven waarmee we elkaar soms voor de gek lijken te houden.

Het is misschien goed om bij het begin van geld te beginnen. ‘In den beginne’ waren we jagers/verzamelaars, later gingen we landbouw doen en (klein)vee houden. Dat is nog eens korte samenvatting van de prehistorie. Omdat het handig is om de dingen te doen die je goed kunt, ontstaat bijna vanzelf specialisatie. Die specialisatie leidt automatisch tot de noodzaak om te ruilen met goederen en diensten waar anderen goed in zijn om kunnen leveren.

Otto-Karel1

Ik stel u daarom voor: landbouwer Otto en geitenherder Karel. Otto heeft groene handen en verbouwt onder andere Pastinaak, Karel heeft ‘iets’ met dieren en heeft een kudde van 23 landgeiten. De ruilhandel ligt voor de hand: Otto geeft Karel een zak pastinaak en Karel geeft daarvoor een zak geitenmelk in ruil.  Dat kan goed zonder apart ruilmiddel.

Maar een ruilmiddel wordt  wel erg handig als:

  1. er tijd zit tussen de levering van de dienst en de retourdienst, of
  2. de te geven en te ontvangen diensten sterk in waarde verschillen, of
  3. de diensten geen directe wederdiensten zijn, maar via derden lopen en het anders ingewikkeld wordt om te ruilen (bijv.: Otto geeft Hildegard een zak Pastinaak, Hildegard breit een trui voor Karel, en Karel geeft Otto een zak geitenmelk. )

Otto-Karel2Een ruilmiddel is dan een handige en objectieve manier om de levering te waarderen (een objectieve waarde te geven) en in de tijd te kunnen scheiden. Het is, op een iets andere manier beschouwd, een manier om te herinneren wat je voor elkaar gedaan hebt. Als je veel ruilmiddel hebt, heb je immers meer gegeven dan ontvangen, als je weinig ruilmiddel hebt, heb je meer ontvangen dan gegeven.

Valt jou ook op dat wij ‘rijk’ en ‘arm’ nu anders ervaren?

Hoe dat komt hoop in volgende posts te onderzoeken. Misschien komen Otto, Karel en Hildegard daar ook wel weer terug.